[Als je liever luistert naar dit artikel, klik dan HIER]
Hoeveel uren zou ik in de loop van mijn loopbaan wel niet deelgenomen hebben aan gepraat over cliënten?
Eerlijk? Ik hou er niet van.
Zovele verhalen waar vaak noch cliënt, noch hulpverlener mee opschiet.
(tijdverspillingsspijt)
Ik kijk daar zo naar:
- praten óver cliënten, daar kruipt gemakkelijk veel tijd in
- de kloof tussen dat gepraat en de werkelijkheid waarin de cliënt leeft, is vaak groot (en wordt soms groter hoe langer de bespreking duurt)
- je krijgt geen feedback van de cliënt
- wanneer je nadien een gesprek aangaat met de cliënt, voel je soms dat wat logisch leek in de bespreking, niet kan gezegd worden, of je zegt het, maar je voelt dat het slecht landt
Anders en beter
Het wordt anders als er snel en voortdurend geschakeld wordt naar praten mét cliënten.
Een béétje óver en dan snel:
Wat ga je dan zeggen/vragen aan de cliënt?
Dan hoor je hoe het klinkt, als je zegt wat je overweegt om te zeggen.
(Of wan-klinkt.)
Het wordt hélemaal anders (en beter) als dit gebeurt:
Mag ik jou iets vragen/zeggen alsof jij de cliënt bent? Dan kan jij antwoorden zoals je denkt dat die misschien zou antwoorden.
Misschien kan dit een gesprek van 5 tot 15’ worden.
(Johnella Bird noemt dit een ‘prismatische dialoog’.)
Dát is nuttig, want
- je hoort jezelf dingen zeggen waarvan je niet wist dat je ze wist
- je ervaart wat je niet weet (omdat je het nooit gevraagd hebt)
- je bereidt je zo voor op een gesprek dat aansluit bij de wereld waarin de cliënt leeft
Nieuwsbrief
Een mailtje na een nieuw artikel?



