[Als je liever luistert naar dit artikel, klik dan HIER]

In een supervisiegesprek liet Johnella Bird vallen:

’I protect my heart’

Die uitdrukking laat me niet meer los.

 

Lekker-genoeg leven

Ik maak er dit van:

Dat hart, dat we meer of minder beschermen, is innig verbonden met ons vermogen om ‘lekker-genoeg’ te leven en te werken.

Een onbeschermd hart, je zal het geweten hebben.
(Misschien maak je het op dit moment mee.)

Dit doet me denken aan wat Michael White het ‘sense of self’ noemt.
(Dit begrip speelt een rol in zijn kijk op trauma.)

Een fijn ’sense of self’ verwijst naar

een warm, intiem-vertrouwd, vitaal zelfgevoel

of

een bezielde ervaring van het zelf

Dit doet zich volgens hem o.a. voor wanneer we voeling hebben met dingen (voorkeuren, waarden, gerichtheden) die ons nauw aan het hart liggen, en zeker wanneer we ze ervaren als een rode draad doorheen ons leven.

Dit geeft ons het gevoel dat we betekenisvol (kunnen) handelen in de wereld, in de lijn van onze voorkeuren en waarden.
(‘a personal sense of agency’)

Je hart is dan als een thuis.
Dit drukt zich uit in vreugde, in warmte, in speelsheid, in het kunnen navigeren doorheen moeilijk terrein.
Je kan je openstellen voor jezelf.
Je kan je openstellen voor anderen.
(Ook voor hun pijn.)

 

Thuisloos hart

Maar onder invloed van omstandigheden die je hart overhoop halen, kan het als een huis zonder deur, vensters of dak worden.

Thuisloosheid, onveiligheid en vervreemding kenmerken dan de ervaring die je van je leven en van je ‘zelf’ hebt.

Vitaliteit, warmte, creativiteit verminderen.
Het gevoel betekenisvol te kunnen handelen?
Navigeren door lastig terrein?
Het vermogen om ons open te stellen voor pijn, die van een ander en die van ons?
Het neemt allemaal af.

 

Hoe bescherm je je hart?

Een collega vertelde me een verhaal.

Hij was aanwezig geweest op een bijeenkomst: mama, papa, grootouder en enkele hulpverleners.

Er waren heftige momenten in het gesprek geweest.
De heftigheid van wat bij de aanwezigen op het spel stond, dat was hij in zijn lijf gewaargeworden.
(Hij had er zich door laten raken.)

Hij vertelde ook over achteraf:

  • zijn ervaring tijdens het terugfietsen naar zijn werk
  • de collega met wie hij erover gesproken had

Hij had het over zijn gesprekken met zijn supervisor.

Ik luisterde en ik dacht:

Jij beschermt je hart door trouw te blijven aan hoe jij je wil opstellen en openstellen voor cliënten, in de lijn van hoe jij mens wil zijn.
Maar er is ook dat fietsen, en het spreken met je collega, de supervisie, … ook met die praktijken bescherm jij je hart.

Dit maakt dat hij in staat is om zijn hart open te stellen voor de pijn van die papa en mama, voor zijn eigen ervaring van onzekerheid en machteloosheid, zonder dat het hem neerhaalt. Zonder dat het hem ondermijnt.

Ik dacht aan enkele van mijn eigen hart-beschermende praktijken en factoren:

  • mijn dagboekschrijven
  • dat ik werk met perspectieven en praktijken waar mijn hart zich thuis bij voelt (waardoor ik gesprekken heb die mijn ziel goeddoen)
  • dat ik binnen de organisatie waar ik voor werk de stem van onze cliënten hoor
  • mijn maandelijkse supervisiegesprekken
  • het laten van gaten in mijn agenda en in mijn dagen, gaten waardoor ik kan lummelen
  • de gesprekken met mijn vrouw

(Wat zijn die van jou?)

 

Beschermen tegen efficiëntie-denken

De vraag ‘Waar moeten we ons hart tegen beschermen?’ is te groot.

Ik wil wel 1 factor noemen: het denken dat we doen om het werk efficiënt te organiseren.
Laten we dit efficiëntie-denken noemen.

Sommige efficiëntie-regimes ondermijnen het hart van de psychosociale hulpverlener.
Ze verschralen hun ‘sense of self’.
Dat heeft gevolgen voor hen (en de mensen rondom hen) en hun cliënten.

 

Doelen bereiken met gebruik van zo weinig mogelijk middelen

Efficiëntie gaat om deze vraag:

Hoe bereik je je doelen met gebruik van zo weinig mogelijk middelen?

In de wereld van de psychosociale hulpverlening gaat het dan bijvoorbeeld zo:

  • je hebt X hulpverleners
  • je hebt Y zorgvragers

Hoe ga je de interactie tussen deze 2 groepen efficiënt organiseren?

Laten we daar eens wat efficiëntie-denken op loslaten:

  • je kan een chatbot creëren die vragen van cliënten beantwoordt
  • je kan cliëntencontacten korter maken, zodat de werkers er meer kunnen ‘doen’
  • je kan het aantal contacten per cliënt beperken
  • je kan groepsactiviteiten organiseren
  • je kan de agenda’s van de werkers beheren
  • je kan een model van kortdurende hulpverlening opleggen
  • je kan de instroom inperken (door een moeilijke instroomprocedure te construeren of door meer uitsluitingscriteria te hanteren of door door te verwijzen)
  • je kan organisaties fuseren
  • je kan snoeien in vergadertijd (dat doet men dan weer zelden, zelfs al zuipen vergaderingen veel arbeidstijd)
  • je kan snoeien in admin (dit zeker niet …)
  • enzovoort

Elke organisatie maakt keuzes en zo krijg je een efficiëntie-regime.

 

De gevolgen van het efficiëntie-regime voor het hart van de werker (en de organisatie)?

De vraag

’Welke implicaties heeft het uitgewerkte efficiëntie-regime voor het hart van de werker?’

doet ertoe.

Deze vraag doet ertoe, want sommige keuzes ontzielen het werk, de werkers en de organisatie.

Werkers voelen zich dan gereduceerd tot pionnen in een systeem.
Ze werken, ze werken misschien hard, maar hun hart verschraalt en wat ze doen is arm aan ziel.

Dat waar het in werk en in de organisatie uiteindelijk om zou moeten gaan,

en wat verbonden is

  • met de mens die je wil zijn, en
  • met waar het leven voor jou om gaat of zou moeten gaan,

dat wat speelde in je keuze voor dit beroep,

dat wat jouw hart en het hart van het werk raakt,

als dat uitgehold raakt,
verschraalt,
bijzaak lijkt te worden,

dan gaat het mis.

Het gevoel dat we betekenisvol handelen in de wereld, in de lijn van onze voorkeuren en waarden, als dat uitgehold raakt, dan tast dat niet enkel het hart van de werker aan, maar ook dat van de organisatie zelf.

Dan neemt de bevrediging van het werk af.
Je kan dingen minder aan.
Je herstelt slechter van pijnlijke ervaringen.
Je kan je minder goed openstellen (voor anderen en voor jezelf).
Cliënten krijgen zorg die holler is.

 

Het gesprek over efficiëntie en hart

Scoren op efficiëntie, maar betekenis verliezen, dat kan.
Het hoeft niet, maar het kán en het gebeurt.
Dat is dramatisch.

Het noodzakelijke gesprek hierover gebeurt niet veel, denk ik.
Het is ook complex.

Het is complex want ‘hoezo zou je iets kunnen hebben tegen efficiëntie?’
We voelen ons snel monddood gemaakt door efficiëntie-argumenten.
(Je maakt jezelf belachelijk als je zegt: ‘Oké, ik snap dat deze maatregel nuttig is, maar ik stel voor dat we het toch niet doen want het gaat de ervaring van ons werk uithollen, het gaat leiden tot een toename van burn-out, en de cliënten gaan meer zielloze zorg ontvangen, dus het zal hun herstel in de weg staan.’)

Het is complex omdat het efficiëntie-discours een hogere status heeft dan het hart-discours (of ziel-discours).
(Een hart-discours, dat lijkt iets voor dichters of verliefde mensen.)

Het is complex omdat de individuele werkers hun gevoelens van ongemak en onwelzijn niet begrijpen in de context van de diepe behoefte die we hebben aan betekenisvol werk in een omgeving die dit faciliteert.
(Ze denken dat ze ‘te gevoelig’ zijn, of ‘te weinig weerbaar’, of toch niet in de wieg gelegd voor dit werk.)

Het is complex want iedereen doet toch zijn best.

Het is complex omdat leidinggevenden geloven dat ‘weerstand’ tegen de nieuwe regeling slechts de klassieke weerstand tegen verandering is.

Maar

  • als deze complexiteit gezien en erkend wordt,
  • als de realiteit erkend wordt dat een bepaald efficiëntie-regime de betekenis van het werk kan uithollen

dan kan er geëxperimenteerd worden,
en gaandeweg onderzocht hoe de organisatie goed kan werken:

  • goed in de efficiënte zin én
  • goed in de hart-en-ziel zin.

Ook een organisatie moet haar hart beschermen.

Let’s protect its heart.
Let’s protect our heart.

 

 

Nieuwsbrief

Een mailtje na een nieuw artikel?

Schrijf je uit wanneer je wil. Powered by Kit