[Als je liever luistert naar dit artikel, klik dan HIER]
Ik heb weer een boek van Pema Chödrön gekocht, een Amerikaanse boeddhist.
(Ik lees haar al lang, af en toe.)
‘How We Live Is How We Die’ heeft als insteek:
Hoe kan je je een beetje voorbereiden op je eigen sterven?
Sterven brengt volgens haar – zij laat zich inspireren door een Tibetaans-boeddhistische stroming – een reeks ingrijpende transitie-ervaringen met zich mee.
Je maakt die door terwijl je gaandeweg steeds meer houvast verliest.
Het goeie nieuws is (volgens haar): we kunnen oefenen in houvastloosheid.
Minder houvast dan je lief is
In het dagelijks leven ervaren we regelmatig een vermindering of verdwijnen van houvast, bijvoorbeeld bij angst, of schaamte, of verveling. Of wanneer je je niet zo bekwaam voelt als je zou moeten zijn. Of je hebt spijt van hoe je gereageerd hebt. Of je weet niet goed meer wie je bent of wat je wil. Of je bevindt je plots in een andere omgeving.
Eigenlijk zijn er nog best veel zulke (micro)momenten. We slagen er dan niet goed in om grip uit te oefenen op de situatie en op onszelf.
Pema noemt dit ‘groundlessness’, want het is alsof je geen vaste grond onder je voeten hebt.
Ongemakkelijke openheid
Haar idee is dat we wat kwaliteit kunnen brengen bij zulke ervaringen.
Zij heeft van haar Tibetaanse leraren geleerd om dit soort ongemakkelijke momenten te waarderen.
In een boeddhistische analyse beschouwt men immers de (sterke) neiging om greep te willen hebben op het leven als verantwoordelijk voor veel lijden.
De momenten dat we daar niet goed in slagen, geven ons potentieel toegang tot iets waardevols waar we van afgesneden zijn wanneer we te hard in de greep zijn van grijpen.
Dat waardevolle is een soort openheid.
(Een ongemakkelijke openheid)
Pema daagt haar lezers uit om zulke gelegenheden – bv. wanneer we angst ervaren, of verveling – niet zomaar voorbij te laten gaan, maar te proberen – als we het lef kunnen opbrengen – om er een beetje in te ontspannen.
Het wordt dan een kleine oefening in het uitproberen van een andere verhouding tot het leven (in en buiten ons) dan die van grijpen, vasthouden, onder controle proberen krijgen.
(Ze geeft daar tips voor.)
Ze denkt dat we dit soort momenten kunnen gaan ervaren als rijk of voedzaam of steunend, op een heel andere manier dan wanneer we ons ‘on top of things’ voelen.
Ze denkt ook dat dit oefenen ons kan helpen om een beetje relaxter en opener om te gaan met ons eigen sterven.
Wat me is opgevallen
Ik heb er wat mee geëxperimenteerd.
Ik heb gelet op momenten waar een mate van groundlessness of houvastloosheid speelde, ik heb uitgeprobeerd of ik me daar dan een beetje in kon ontspannen, en ik heb vooral mijn ervaring op die momenten onderzocht.
Het waren vaak overgangsmomenten: het vorige was voorbij.
Er is me nog iets opgevallen.
Het kwam meerdere keren terug en het gaat over identiteit of, om jargon uit de narratieve therapie te gebruiken, identiteitsconclusies.
(Michael White vond het interessant en therapeutisch relevant hoe snel en automatisch wij conclusies trekken over de identiteit van onszelf en anderen, en de grote impact daarvan.)
Wat ik opmerkte, was iets pijnlijk.
Tijdens houvastloze of -arme momenten was vaak het leven aan het wegvloeien uit een eerder tot leven gekomen fijne identiteitsconclusie over mezelf of mijn leven.
(Die was ontstaan door een eerdere actie of interactie waardoor ik mezelf in zekere mate gewaardeerd of waardeerbaar of van betekenis was gaan voelen.)
Weg, irrelevant, dood of op sterven, dat eerdere fijne gevoel over mezelf of mijn leven.
Een soort sterven
In een vroeger schrijfsel was ik al tot de volgende conclusie gekomen:
… dat een warme, waarderingsvolle ervaring van mezelf een tijdelijk en kwetsbaar iets is.
Het is mooi, warm, diep, vruchtbaar en … zo robuust als een zeepbel.
Er is niet gek veel nodig om in een koude, pijnlijke, bange, hopeloze, onherbergzame, ont-waarde ervaring van jezelf en van je leven terecht te komen.
‘Jezelf’, ‘mezelf’, ‘ik’, dat is dan eerder een hoopje ellende of een ontstoken wonde dan een centrum van actie of een bron van waarde.
Nu ervaar ik dit ‘kwetsbare van een warme, waarderingsvolle ervaring van mezelf’ nog in een ander licht. Mijn conclusie krijgt er een laagje bij:
Die houvast-arme momenten zijn momenten waar ik een soort sterven doormaak, nl. een ‘sterven’ van identiteitsconclusies: ik verlies houvast in wat aanvoelde als intiem-eigen, en als iets stevigs, en dat haalt de grond onder je voeten weg.
Dat ‘sterven’ is ‘maar’ een metafoor, maar ‘it makes sense of’ hoe van slag ik op zulke ogenblikken kan zijn van iets kleins en van hoe reactief of rigide ik dan kan reageren.
PS Het schrijfsel waar ik uit citeer kan je lezen op ‘Is hier sprake van zelf-destructiviteit?’
⠀
Nieuwsbrief
Een mailtje na een nieuw artikel?




Dank je wel Johan om woorden te geven aan iets dat niet fijn is om te ervaren en … dat elke keer terugkomt.